care consult
Op deze pagina worden frames gebruikt, maar uw browser ondersteunt geen
frames. Gelieve een browser te gebruiken die dit wel ondersteunt.
Lipoatrophia
semicircularis (L.S.)
Een
nieuwe, ernstig te nemen aandoening
De
benaming ‘halfcirkelvormige vetatrofie’ bestaat al langer, maar er zijn in
de wereldliteratuur maar een klein aantal gevallen beschreven. Nu zien we deze
aandoening ineens veelvuldig optreden, bij duizenden patiënten, en zeker niet
alleen in ons land.
Zowat
in alle ontwikkelde landen worden mensen door deze aandoening getroffen.
Uit
recente wetenschappelijke analyses blijkt dat de aandoening, zoals ze zich
vandaag voordoet, ernstig genomen moet worden.
De
symptomen
Deuken,
nu ook ribbeldijen genoemd, zijn te herkennen aan een glooiende inkeping van de
dijen vooraan en langs de zijkant, meestal op 72 cm hoogte boven de vloer, met
schoenen aan gemeten. De breedte kan sterk variëren van amper een halve
centimeter tot 5 centimeter. De lengte is ook lang niet altijd dezelfde: van 3
ŕ 4 cm tot meer dan 20 cm. Dikwijls kan je echt spreken van een deuk(5 mm
diep); dit kan echter gaan tot een afvlakking. De deuken komen dikwijls
beiderzijds voor, maar zeker niet altijd. Eens vinden we een deuk links, dan
weer rechts; in ernstige gevallen treffen we twee deuken per been aan.
Minder frequent duiken deze deuken ook op aan de knieën, aan het buikvet en aan
de armen.
Vooral
in het begin, bij het ontstaan van de deuken, kan men blauwe plekken en kleine
spatadertjes ter hoogte van de bovenbenen aantreffen.
Soms
een eczeem te zien; als het voorkomt komt het meestal voor ter hoogte van de
benen.
De
opperhuid is meestal intact gebleven. Blijkbaar verdwijnt alleen het onderhuidse
vet ; de spieren lijken intact te blijven.. Ook de haren blijven meestal
onaangetast.
De
aandoening is niet continu dezelfde maar kan mettertijd evolueren en dus soms
een grillig verloop hebben.
De
gerelateerde symptomen
De
hiernavolgende gerelateerde symptomen komen vooral voor als de deuken vrij diep
zijn.
Vooral
in het begin van de aandoening zijn gelinkte symptomen zoals jeuk, pijn,
tintelingen of vermoeidheid vast te stellen, meestal ter hoogte van de voorkant
van de bovenbenen. Soms beschrijven de patiënten ook dergelijke tekens ter
hoogte van het onderbeen.
Na
enkele maanden verdwijnen deze verschijnselen meestal.
Bepaalde
personeelsleden beschrijven een gevoel van algemene vermoeidheid, hetgeen zich
meer voordoet naar het einde van de werkweek toe.
Er
wordt ook soms gesproken van buiklast, een drukkend gevoel ter hoogte van de
darmen, en een veranderde stoelgangsgewoonte.
Het
voorkomen
De
aandoening wordt vastgesteld bij mensen, die in veel tijd doorbrengen in een
moderne bureauopstelling.
De
deuken verschijnen meestal één ŕ twee maanden nadat een nieuwe
kantooromgeving of –installatie in gebruik wordt genomen. Het kan ook langer
duren voor er symptomen optreden, en zelfs krijgen personen de deuken
alleen als ze in het gebouw van plaats veranderen ; ene werkplek niets, andere
gelijkaardige werkplek en de problemen duiken op..
De
meesten van de getroffen personen zijn vrouwen, maar dit is lang niet altijd het
geval. Het mannelijk lichaam is niet immuun voor deze aandoening. Vrouwen hebben
een andere vetstructuur ter hoogte van de benen en de bekkengordel.
Dit kan een reden zijn waarom dames procentueel veel sterker vertegenwoordigd
zijn. Anderzijds brengen zij meestal veel meer tijd door aan hun bureau.
Op
de hoogte waar zich het letsel meestal voordoet, kan er een slagader voorkomen,
die naar de voorkant van het been loopt, rond het dijbeen. Deze variante van het
slagaderlijk systeem is slechts bij 3 % van de mensen aanwezig. Er is geen
relatie, voor zover wetenschappelijk bewezen is, met het al dan niet voorkomen
van deuken.
Celwandruptuur
Het
LS syndroom is zo verspreid en zo nieuw dat verder onderzoek absoluut
noodzakelijk is, hetgeen evenwel niets afdoet aan de subjectieve en de
wetenschappelijke waarnemingen die vandaag worden gedaan.
In
de literatuur werd door Gschwandtner en Münzberger in 1974 een beschrijving van
weefselbeschadiging gegeven. Zij
hebben gevonden dat er een progressieve vernauwing was van de kleine bloedvaten,
een verbleken van de vetcellen en daarna eventueel een verdwijnen van de
vetcellen, alsook een infiltratie met opruimcellen.
Recenter
werd door Professor Lachapelle en Professsor Tennstedt van de Université
Catholique de Louvain een biopsie onderzocht van de nu bestaande aandoening, en
gevonden dat de bindweefselbalken en de andere structuren van de cellen niet
aangetast zijn, maar dat de vetcellen(lipocyten) van elkaar losgekomen zijn, dat
er een dun vetlaagje rond de vetcellen te zien is, en dat de membranen van de cellen opengebroken zijn.
Hieruit
zouden we kunnen opmaken dat we nu met een andere aandoening te maken hebben dan
in 1974 het geval was. Een aantal
elementen uit de vaststellingen wijzen er op, dat deze zeer verspreide
aandoening niet mag geminimaliseerd worden, en dat verder wetenschappelijk
onderzoek absoluut noodzakelijk is.